Begeleiden
Doofblinde mensen zien weinig of zelfs niets en hebben daardoor problemen om de weg te kunnen vinden. Ze bosten gemakkelijk ergens tegenaan of struikelen ergens over. Plotselinge lichtwisselingen (bijvoorbeeld van een donkere naar een lichte kamer) zijn vervelend en bij te weinig licht valt er niets meer goed te zien.
Als u met een doofblinde persoon ergens naar toe gaat, let u dan op het volgende
- Laat weten dat u er bent of als u weggaat
- Als u weggaat zorg er dan voor dat de doofblinde persoon in contact is met iemand (bijvoorbeeld niet tegen kale muur laten staan)
- Vraag of hij of zij hulp nodig heeft
- Biedt uw arm aan als de doofblinde persoon zich wil verplaatsen
- Waarschuw bij stoepranden, afstapjes, deuren, liften of andere obstakels
- Laat hem of haar achter u lopen en eventueel u aan uw schouder vasthouden
- Vertel iets over de omgeving waarin u zich bevindt (verkeer, gebouwen, drukte, natuur)
- Vertel iets over de mensen die aanwezig zijn (aantal mensen, stemming, waarover ze praten)
- Vertel iets over veranderingen van licht (bijvoorbeeld van licht naar donker om omgekeerd)
In het begin is dit niet zo makkelijk, maar door veel oefenen gaat dit hierna bijna al automatisch.
Nog twee belangrijke punten zijn :
- Vraag altijd aan de doofblinde persoon wat hij of zij wil voordat u uw eigen keuze gaat maken
- Sluit een doofblinde persoon in een gesprek of een activiteit nooit uit, maar betrek hem of haar erin
